Mijnenjagers
Chasseur de Mines Tripartite
TechTalk
Root server » TechTalk » Marinebasis Zebrugge » Geschiedenis CMT

De CMT's of “Chasseurs de mines tripartites” werden gezamelijk ontworpen en gebouwd door drie verschillende landen, Nederland, Frankrijk en BelgiŽ, vandaar de naam Tripartite. Nederland zorgde voor de dieselpropulsie, BelgiŽ voor de electronica en de electrische aandrijving (E-vaart) en Frankrijk voor de OWS (de onder water systemen: sonar, PAP, enz). De electrische motoren voor de propulsie worden nu nog steeds onderhouden door de ACEC.

Als basis van het ontwerp werd de Amerikaanse MSO (Mine Sweeper Ocean) gebruikt. De huidige mijnenvegers zijn dan ook moeilijk te onderscheiden van de oudere MSO's. Het voornaamste verschil is dat de huidige schepen in polyester zijn gebouwd (in plaats van in hout). Metaal is natuurlijk niet mogelijk, want deze schepen zijn gemaakt om de zeemijnen te bestrijden. Deze mijnen reageren op de verstoring van het magnetisch veld, en een schip met metalen romp is zeer moeilijk magnetisch onzichtbaar te maken.

Ieder land bouwde de schepen zelf, voor BelgiŽ gebeurde dit in de scheepswerven van Mercantile Belliard (Polyship), zie het naamplaatje van de Aster, het eerste schip uit de reeks.

De vorige mijnenvegers waren in hout gemaakt, de huidige serie is in polyester gemaakt, en dus nagenoeg onverwoestbaar. Dat heeft Polyship helaas aan den lijve ondervonden, toen het bedrijf dat in financieele moeilijkheden verkeerde aan de regering vroeg dat er nieuwe mijnenjagers gebouwd zouden worden. Dit gebeurde niet, en Polyship ging een paar maanden later failliet (in de plaats daarvan kregen de bestaande mijnenjagers een CUP of Capability Upgrade Program). De fregatten die in nagenoeg dezelfde periode gebouwd zijn geweest (Wielingen) zijn nu allemaal verschroot geweest (of verkocht).

De belgische foto's (rechts) tonen de bouw van de Aster (M915).

De hoofdpropulsie gebeurt door een dieselmotor. De propeller of hoofdschroef wordt direct aangedreven via een reductiekast met vaste overbrenging. Het schip heeft dus geen "versnellingsbak" zoals bij een auto. Het veranderen van vitesse gebeurt door de schroefstand (pitch) te veranderen, die loopt van 0į (vrijloop) tot 90į (zeilstand). De maximale schroefstand vooruit bedraagt 28.5į, en de schroefstand achterruit -14.5į, de propeller zelf draait altijd in dezelfde richting.

Ook het motortoerental kan gewijzigd worden, en dus ook de schroefsnelheid (van 100 toeren per minuut tot 220 toeren per minuut). Aan de hand van het door de commandant gevraagde vaartsnelheid wordt automatisch de meest optimale motortoerental en stand van de schoepen bepaald.

Als men de electrische propulsie gebruikt bij het mijnenjagen (E-vaart), dan worden de schoepen van de hoofdpropulsie in zeilstand gezet.

De brug gebruikt nog steeds dezelfde instrumenten uit de tijd.

Ook Frankrijk heeft identieke schepen gebouwd in de scheepswerven van Lorient (Direction des Constructions Navales). Het eerste schip was de Eridan (M641), die nog steeds operationeel is. Het onderhoud gebeurde later in Brest.

Terwijl de belgische en nederlandse schepen gebouwd werden voor een bemanning van 36 (4 officieren, 15 onder-officieren en 17 matrozen), hebben de franse schepen een bemanning van 5 officieren, 17 onder-officieren en 25 matrozen. Dit is ook normaal; de fransen zijn kleiner en werken minder.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's