Werking generator
Voorwaarden voor parallelbedrijf
Parallelbedrijf
Op de erste pagina hebben we uitleg gegeven over wat parallelbedrijf is. Hier leggen we de voorwaarden uit die vervuld moeten worden vooraleer een groep alternatoren in parallelbedrijf gezet mogen worden.
-

-

Voorwaarden parallelbedrijf

Electrische vermogensverdeling

Als verschillende generatoren parallel moeten werken, dan wordt een stroomtransfo gebruikt om het vermogen te verdelen over alle generatoren van de groep. De droop veroorzaakt een spanningsdaling van 5% tussen onbelast en nominale belasting.

Indien men identieke alternatoren samen gebruikt, dan kan de regelaar de exciterstroom gebruiken als maat voor de belasting. De exciterstroom stijgt namelijk met de belasting (maar niet op een identieke manier als er alternatoren van verschillende types gebruikt worden). Men kan zo het gebruik van een stroomtransfo vermijden.

De droop regeling zorgt ervoor dat de belasting beter over de verschillende generatoren verdeeld wordt. Als een alternator een hoger vermogen levert, dan zorgt de droop regeling dat zijn spanning wat lager wordt, waardoor ook het afgegeven vermogen daalt, tot er een evenwichtssituatie ontstaat.

Mechanische vermogensverdeling

Ook mechanisch moeten de groepen compatibel zijn. Bij een stijgende belasting moet de stroomgroep wat trager gaan draaien (ongeveer 5% tussen onbelast en vollast). Deze instelling wordt meestal gedaan op de toerentalregelaar (Woodward). Hier ook zorgt de droop dat het vermogen beter verdeeld wordt.

Bij netgekoppelde generatoren wordt doorgaans de mechanische vermogensregeling niet toegepast, maar werken de generatoren op een vast vermogen (de generatoren sturen een vast vermogen op het net = "marche sur programme"). In (gekoppeld) eilandbedrijf is dit natuurlijk niet mogelijk en moeten de generatoren zich aanpassen aan de vraag.

Alternatoren die parallel moeten werken moeten uitgerust zijn met demper wikkelingen om de parallelwerking te bevorderen.

Alle regelmodules zijn verschillend en
een ander type regelaar is beschreven op de pagina
aansluiting en instelling van de regelaar

Voorbeeld van instellingen

We gebruiken het schema rechts om de alternator in te stellen. Dit zijn de parameters die op de regelaar ingesteld kunnen worden (het betreft een franse alternator van Leroy Somer):
  • P1 Statisme T.I.
    Droop die bepaald wordt door de stroomtransfo aan te sluiten op de klemmen S1 en S2. (T.I. = transfo d'intensité)

  • P2 Tension (onbelaste spanning)
    Indien de bedieningspaneel uitgerust met een potentiometer, moet die halverwege ingesteld worden vooraller men met P2 de juiste spanning instelt.

  • P3 Fréquence
    Frekwentiebewaking
    De frekwentieregeling dient niet om de effektieve frekwentie in te stellen, maar geeft aan bij welke onderfrekwentie de exciterspanning verlaagd wordt zodat de motor weer op adem kan komen. Opgelet, bij bepaalde regelaars stel je hier de frekwentie in waarbij de exciterspanning volledig wegvalt, dit mogen we niet hebben bij parallelbedrijf!

  • P4 Stabilité
    Dynamisch gedrag: een te losse regeling veroorzaakt een spanningsdip bij het plots verhogen van de belasting en een piek bij het verlagen ervan, terwijl een te strakke regeling pendelgedrag kan veroorzaken bij bepaalde belastingen (spanningsveranderingen).

  • P5 Limitation d'excitation
    Beperking van de maximale exciterstroom.
    Deze regeling moet normaal niet veranderd worden, behalve bij het vervangen van de module. Daarmee wordt het maximal vermogen dat de generator kan leveren beperkt.

  • P6 Statisme interne
    Droop die door de exciterstroom bepaald wordt (die op zijn beurt door de belasting bepaald wordt), enkel te gebruiken bij het koppelen van iedentieke alternatoren.

De instellingen van de regelmodule verlopen normaal niet en moeten niet gewijzigd worden zolang de module niet vervangen is geweest.

Voor alle instellingen (behalve aangegeven) moet de motor op zijn nominaal toerental draaien zodat die 50 of 60Hz levert. Het toerental wordt ingesteld op de dieselmotor zelf (Woodward).

1
Eerst wordt de onbelaste spanning ingesteld. Indien de generator een potentiometer heeft op het bedieningspaneel, moet die eerst in de middenpositie gezet worden.

2
De frekwentiebewaking wordt ingesteld door de motor op een lager toerental te laten draaien en de spanning te meten. Bij 48Hz (of 57Hz) moet er een spanningsval zijn van ongeveer 10 à 15% ten opzichte van de spanning bij normaal toerental.

3
Dan wordt de stabiliteit gecontroleerd door verschillende belastingen bij te schakelen en weg te nemen. Er mogen geen spanningsvariaties zijn (oscillaties, pieken en dips). De stabiliteit moet getest worden met verschillende soorten belastingen (asynchrone motoren, transfo's, ontladingslampen, gloeilampen en electrische verwarming): de belasting moet zo realistisch mogelijk zijn.

4
Om het statisme in te stellen wordt de maximale belasting aangesloten en moet de spanningsvermindering ingesteld worden. Bij zuiver eilandbedrijf (één generator) moet er geen droop zijn. Bij parallelbedrijf moet er een statisme van ongeveer 5% zijn (alle stroomgroepen moeten dezelfde waarde hebben), en bij netkoppeling is dat 2%.

5
Om de maximale exciterstroom in te stellen wordt het motortoerental verlaagd naar 47Hz (of 56Hz). De maximale belasting wordt aangesloten en de instelling wordt verdraaid totdat men een lichte spanningsvermindering opmerkt.

Nadat deze stappen doorlopen werden kan men de stroomgroepen synchroniseren. Het synchroniseren en koppelen van de stroomgroepen wordt hier uitgelegd.

Publicités - Reklame

-