Staalnijverheid
De hoogovens val Luik in 2021
Ougrée en Seraing
Servers » Pictures » Hoogovens » Lokaties » Luik 2021
-

-

Ik ben al een aantal keren naar Luik geweest, ongeveer 10 jaren geleden toen enkel nog de cokesfabriek in werking was, dan later, toen de volledige warme lijn stil lag. Ik ben opnieuw langsgeweest in de zomer van 2021. Sommige mensen gaan op vakantie naar Spanje, ik bezoek mijn hoogovens.

Er is één verschil met mijn vorig bezoek: de HF6 van Seraing ligt plat. Dat was de hoogoven die midden in de stad lag. De HFB van Ougrée (aan de voetbalvelden van Standard) is nog overeind. In 10 jaar tijd is er hier niets gebeurd. De struiken zijn ondertussen ferme bomen geworden, maar verderis er niets veranderd.

De eerste foto toont een volledig zicht van de installaties in 2021. Eenzelfde foto kan je terug vinden op de pagina van Luik in 2012: er is echt niets veranderd. Je ziet de hoogoven en de bijhorende installaties om de ertsen voor te bereiken. In Luik is het geen geïntegreerde nijverheid: de cokesfabriek zit enkele kilometers verder en de staalfabriek zelfs aan de andere kant van de stad. Er was een speciale treinverbinding om het vloeibaar gietijzer van de hoogoven naar de staalfabriek te vervoeren.

Enkele sporen op de site van de hoogoven worden in de week nog gebruikt (de rails blinken). In de week worden er grondstoffen en half afgewerkte produkten vervoerd. De grondstoffen zijn hier de coils, dikke bobijnen staalplaat, die verwerkt worden tot bijvoorbeeld conserveblik. De warme lijn, waarbij ijzererts omgevormd wordt tot gietijzer in een hoogoven en dan verwerkt tot staal in de staalfabriek bestaat niet meer. Er zijn enkel nog een paar deelaspecten van de staalnijverheid over.

Hoe is de situatie nu eigenlijk? Vroeger hadden we Cockerill-Sambre, dat was de tijd toen de volledige waalse staalnijverheid geïntegreerd was tot één enkel bedrijf. Maar dan was er de economische crisis van 2008 en de minder rendabele delen werden stilgelegd. Duferco kocht een deel van de installaties (de hoogovens in Clabecq en Charleroi) maar moest die na een paar jaren stillegen. Cockerill-Sambre ging samenwerken met Usinor, die later Arcelor geworden is. Arcelor werd overgekocht door Mittal Steel en zo bestaat er geen eigen staalnijverheid meer: buitenlandse bedrijven controleren alles.

Je kan nog aan de oude borden zien wie de toenmalige eigenaar was: eerst Cockerill Sambre groupe Arcelor en dan Arcelor-Mittal.

Mittal Steel heeft zijn installaties in Luik verkocht aan een andere indische ondernemer (Gupta). Om de installaties te kunnen kopen heeft Gupta (Liberty Steel) zware leningen moeten aangaan. Door het laag rendement van dergelijke investeringen was de groep sterk afkankelijk van een economische heropleving. Maar de slabakkende economie zorgde er uiteindelijk voor dat Greensill, de financier van Liberty Steel failliet ging in 2021.

Liberty Steel is nagenoeg bankroet, maar de waalse industrie draait relatief goed in hun specifieke nichemarkten. Het is de globalisatie en de verkoop van hele delen van de industrie die ervoor gezorgd heeft dat de situatie zo slecht geworden is. Om een fabriek te kunnen kopen, heb je geld nodig. En als je geen geld hebt, dan moet je lenen. Voor de holdings die de fabrieken beheren is het zeer moeilijk de schulden af te betalen met de relatief lage opbrengsten van de staalnijverheid. In Gent draait Sidmar nog altijd even goed: Sidmar werd niet verkocht van de ene investisseur naar de andere holding, maar is nog steeds in handen van Mittal Steel.


De installaties van Ougrée gezien vanaf de cokesfabriek

Als je de site van Ougrée rondgewandeld hebt (wat toch een uur in beslag neemt) zie je hoe groot de installaties wel waren. En hier heb je enkel de relatief kleine hoogoven en ertsvoorbereiding. Ijzererts moet aangevoerd worden via de binnenscheepvaart en de kaaien van de Maas werden daarvoor speciaal ingericht. De grondstoffen werden ter plaatse opgeslagen in grote bunkers zodat de productie continu kon doorgaan. Naast ertsen is er ook cokes, kalk, zuurstof, enz nodig.

Als men het over de staalnijverheid heeft, vergeet men soms al de bijhorende industrietakken die rond de hoogoven gebouwd werden: zuurstof en argonproductie, ertsvoorbereiding, steenkoolvermaling en electriciteitscentrales die van de goedkope gassen kon profiteren (hoogovengas, cokesgas en convertorgas). Vele onderaannemers leverden exclusief hun diensten aan de staalfabrieken.

De electriciteitscentrales die nu nog overblijven moeten werken op aardgas en moeten zeer efficient werken, want aardgas is veel duurder.

Steelkool bevat heelwat grondstoffen die verder gebruikt kunnen worden in de industrie. Op de foto hierboven zie je goed de cokesoven die steenkool verhitten (droge destillatie). De producten die je hier bekomt zijn cokesgas (stadsgas), ammoniak (gebruikt voor meststoffen en om bepaalde plastieken aan te maken),...

Cokesgas werd vroeger gebruikt als brandstof en de meeste grote steden hadden een cokesfabriek (hier eigenlijk beter gasfabriek genoemd) zodat de mensen zich konder verwarmen met stadsgas in plaats van steenkool. Cokes was hier een bijproduct dat aan de staalnijverheid verkocht werd. Maar stadsgas was uiterst giftig (wegens de aanwezigheid van koolstofmonoxide) en werd in de jaren 1970 vervangen door aardgas uit Nederland.

Een van de bijproducten van de droge destillatie van steenkool is teer. Als je langs de cokesfabriek van Luik rijd, is het nog steeds dezelfde geur als 10 jaar geleden, een bewijs dat teer niet zomaar verdwijnt. Ik kan mij die geur goed herinneren, ik woonde in Brussel aan het kanaal toen ik klein was. Aan de overkant van bassin Vergote was er een kleine gasfabriek en de geur is mij bijgebleven.

In Luik wordt er met mondjesmaat gesproken over de sanering van de voormalige sites, maar over de cokesfabriek wordt er geen woord gerept. In Charleroi heeft men geprobeerd de site van de cokesfabriek te saneren. Men heeft dan ontdekt dan de teer veel dieper in de bodem gedrongen was en dat men de grond veel dieper zou moeten afgraven. De werken werden dan maar stilgelegd wegens geen geld. In Charleroi heeft men dus een half-afgebroken cokesfabriek.

Maar ook de andere installaties afbreken en de grond saneren kost een massa geld, geld dat echt nodig is om de overgebleven industrie draaiende te houden. Het saneren van de industrieterreinen wordt daarom op een zeer laag pitje gehouden. Wat moet men trouwens met die vrijgekomen terreinen doen? Bureaus en appartementsgebouwen neerpoten? In een zeer verloederde buurt? Er werd vroeger besloten dat deze terreinen die ideaal gelegen waren aan de Maas voor de industrie zouden moeten dienen. Maar welke industrie? Als men ziet hoe groot de staalfabrieken waren, dan is het snel duidelijk dat er op die plaats geen industrie van een dergelijke omvang weer kan komen.

Er zijn zelfs gebouwen die al verwaarloosd waren van voor de sluiting van de warme lijn. Deze gebouwen bestaan nog steeds.

Aan de overkant van de Maas is er nog industrie, eigenlijk juist aan de overkant van de voormalige cokesfabriek (de voorlaatste foto van de cokesfabriek werd van die plaats genomen). Pompen draaien, de verlichting is aan, maar de ramen van de fabrieken zijn gebroken. Men merkt heel duidelijk dat er niet meer geïnvesteerd kan worden.

Als men al te weinig geld heeft om de bestaande fabrieken te onderhouden, waar zou men het geld vinden om de voormalige fabrieken af te breken? Vroeger werd er staal geproduceerd voor de locale (en later europese) markt en iedere productiesite kon staal leveren. Nu gebeurt de productie in de landen met de laagste loonkost. Holdingmaatschappijen bepalen waar er productie komt en waar arbeiders afgedankt worden. De kosten die gepaard gaan met het sluiten van een fabriek en een nieuwe fabriek op te starten in een lageloonland zijn al in een paar jaar terugverdiend.

Publicités - Reklame

-