Historisch
Schemas van enkele zwart-wit televisies
Televisie

Geschiedenis van de televisie

De televisienormen worden hier in detail uitgelegd.
-

-

De televisie TELE-TONE TV208TR wordt op een nieuwe pagina besproken: amerikaanse zwart-wite televisies.


Principeschéma Philips televisie
Principeschema Philips televisies
In de jaren 1950 was er nog geen globalisatie aan de gang en de consumenten kochten liefst een lokaal merk, een toestel gemaakt door een klein bedrijf uit de streek. Philips bood schemas aan aan de verschillende televisiebouwers: het was de bedoeling dat deze constructeurs Philips onderdelen zouden gebruiken in hun apparaten.

Dit schema wordt besproken op de Philips pagina.

De beeldbuis die in de eerste Philips televisie gebruikt werd was een MW22-16 (diagonaal van 22cm). De TX-400 was beschikbaar vanaf de jaren 1950. Een paar jaren later werd een grotere beeldbuis in gebruik genomen, de MW36-24 (36cm beelddiagonaal).

De MW43-24 had een metalen conus: het was toen technisch niet mogelijk zulke grote beeldbuizen uit één stuk te maken. De buis met metalen conus had talrijke nadelen en werd spoedig vervangen door een beeldbuis volledig uit glas, de MW43-43.

De MW53-20 werd in veel toestellen gebruikt. Men vond toen dat een beelddiagonaal van 53 cm eigenlijk ruim voldoende was. Hetzelfde fenomeen gebeurde met de kleurentelevisies, die allemaal een beelddiagonaal van 66cm hadden.


Arel Series 800
Arel was een belgisch merk die bestaan heeft van juist na de tweede wereldoorlog tot halverwege de jaren 1960. Er werden oorspronkelijk radio's gebouwd, maar later ook een paar televisies. Arel is gefuseerd met Novak, maar een paar jaren later verdwijnen beide merken.

De schakeling is ontworpen in de jaren 1960, maar is al verouderd ten opzichte van toestellen die al op de markt zijn, en een jaar eerder ontworpen zijn geweest. De Philips die hieronder besproken wordt heeft een moderner ontwerp.

De televisie kan enkel lokale zenders ontvangen, want er zijn te weinig middenfrekwent trappen, namelijk 2 in plaats van 3 of 4. Men gebruikte 4 middenfrekwent trappen als men standaard-penthodes gebruikte (EF80) en drie trappen als men modernere buizen gebruikte (PCF200/PCF201).

De VHF trap bestaat uit een cascode versterker (een standaard schakeling) met een PC806 gevolgd door een triode-penthode PCF87 die als oscillator-mengtrap gebruikt wordt. Voor de UHF band wordt er beroep gedaan op een Philips tuner.

Het middenfrekwent gebruikt twee trappen met een EF183 en een EF184. De eerste buis is een regelpenthode (zoals veel buizen met een oneven eindgetal) en de tweede buis een penthode met een hoge versterking.

Het contrast wordt ingesteld door de spanning op het tweede rooster van de beeld eindbuis (PCL84) te wijzigen. Daardoor gaat de buis minder of meer geleiden, waardoor er ook een veranderlijke spanning op de cathode is. De spanning op de cathode wordt ook gebruikt om de versterking van bepaalde trappen in te stellen. Er is geen echte automatische gainregeling, maar voor een televisie met slechts twee MF trappen is dit ook niet echt nodig.

Het interdraaggolfprincipe wordt gebruikt voor het geluid, met een MF trap op 5.5MHz (EF80) en een audiotrap (PCL82).

De synchronisatiescheider gebruikt een ECH84, de rastereindtrap bestaat uit een PCL85 en de lijntrap uit een PCF80 gevolgd door een PL500.

De schakeling is eerder een principeschema, de schakeling is eigenlijk een schoolvoorbeeld van verschillende deelschakelingen die aan elkaar geplakt worden om tot een televisieontvanger te komen. Ik vraag mij echt af of dit toestel echt op de markt is gebracht: de concurrentie zat al veel verder.


Philips 21TX285A

Philips 21TX285A
Onze eerste voorbeeld is een televisie met enkel buizen. Er zijn geen transistoren, maar wel een paar diodes die nog de "OA" klassificatie gebruiken.

De gelijkrichtdiode was een OA210, één van de eerste siliciumdiodes. De maximale spanning bedroeg 400V en de maximale stroom 500mA. Er waren dus twee diodes in serie nodig bij een voedingsspanning van 220V.

Het toestel kan zowel op 110V als op 220V gevoed worden. In ieder geval lag het chassis aan de netspanning.

  • Bij een voedingsspanning van 220V werd er één serieketen gemaakt met alle buizen (uit de reeks Pxx die allemaal een gloeisstroom van 300mA hadden). De voedingsspanning voor de buizen werd enkelfasig gelijkgericht.
  • Op 110V werden er twee serieketens geschakeld en de hoogspanning werd verdubbeld met een delonschakeling.

De tuner kan enkel de VHF ontvangen (VHF-I en VHF-III, VHF-II was voorzien voor FM radio). Er waren 3 kanalen beschikbaar in band I: kanaal 2, 3 en 4. Kanaal 1 werd enkel gebruikt voor testuitzendingen en werd ook gebruikt voor uitzendingen in 441 lijnen (Duitsland voor de oorlog en Frankrijk erna). Deze toestellen hadden een vaste ontvangstfrekwentie (geen afstemming mogelijk).

De kanalen 5 tot 11 maken deel uit van band III. Kanaal 12 werd enkel gebruikt om een programma door te stralen van de ene zendmast naar de andere.

Frankrijk had een televisienorm die niet compatibel was (819 lijnen in plaats van 625) en een veel te grote bandbreedte nodig had. Men gebruikte wel de kanalen 2 tot 11 (anders had men een aparte tuner moeten gebruiken) maar ten gevolge van de bandbreedte van 14MHz nam één frans kanaal twee opeenvolgende internationale kanalen in beslag. In de praktijk waren er dus maar 4 kanalen beschikbaar in Frankrijk, maar dat was geen probleem, want er waren slechts drie televisieprogramma's in Frankrijk, en de twee programma's die later kwamen werden allemaal uitgezonden in 625 lijnen (dus met een normale bandbreedte).

Na de tuner (die zodanig breedbandig is dat ook de franse norm zonder probleem doorgelaten kan worden) zijn er drie middenfrekwent trappen nodig. Dit komt omdat de bandbreedte groter is en de middenfrekwentie hoger ligt (ongeveer 35MHz in plaats van 10.7MHz bij radio-FM). Schakelcontacten passen de bandbreedte aan naargelang de geselecteerde televisienorm.

De videodetectie is identiek bij alle normen, (amplitude modulatie). De belastingsweerstand is relatief laag (2.2kΩ in plaats van 470kΩ) omdat de frekwentie van het videosignaal hoger ligt. Er is slechts één video versterkerbuis en het signaal wordt aan de kathode of het eerste rooster van de beeldbuis gelegd naargelang men te maken heeft met positieve of negatieve modulatie.

De negatieve modulatie heeft tal van voordelen: storingen zijn namelijk minder zichtbaar (de spanningspieken verschijnen als donkere stippen in plaats van heldere stippen) en de synchronisatietoppen die de maximale amplitude hebben kunnen gebruikt worden om de versterking van de HF en MF trappen te regelen.

Het contrast wordt ingesteld door de spanning van de tweede rooster te veranderen (zowel videobuis als eerste MF buis). Het was toen een gewoonte om het contrast in te stellen door de versterking van een aantal buizen te veranderen. Dit is minder interessant voor het geluid, want als het contrast laag ingesteld stond was de FM amplitude te laag geworden om een goede detectie mogelijk te maken. Bij de volgende toestellen werd het contrast ingesteld door een deel van het videosignaal af te tappen met een potentiometer (zoals voor het geluid gedaan wordt).

Er zitten een aantal triodes in het toestel, waarvan de funktie niet duidelijk is op het eerste zicht. Deze triodes worden gebruikt voor de gain instelling (die moeilijk in te stellen is bij de franse norm) en om het zwartniveau vast te klampen.

Het audiogedeelte is verschillend naargelang de modulatie: AM voor Frankrijk en FM voor de rest van Europa. Voor het AM geluid wordt het signaal afgetapt na de eerste MF penthode, versterkt door twee MF penthodes en uiteindelijk gedetecteerd. Er is een lokale AVR regeling.

Voor de FM wordt het signaal afgetapt na de videodetectie (intercarrier principe). De videodetectie detecteert immers ook de 5.5MHz FM draaggolf. Het signaal wordt naar dezelfde MF buizen gevoerd, maar hier gebruikt men een FM discriminator voor de detectie.

Drie buizen worden voor het geluid gebruikt, en er de geluidskwaliteit is heel goed bij deze toestellen. Men gebruikt een triode en twee penthodes in "Bi-amp" schakeling zoals die door Philips genoemd wordt. Deze typische schakeling zal in heel veel toestellen toegepast worden. Er is geen uitgangstransfo nodig, maar de luidsprekers moeten een impedantie van 800Ω hebben.

De synchronisatiepulsen moeten ook gescheiden worden uit het videosignaal. De synchronisatiepulsen worden gebruikt om de twee lokale oscillatoren opnieuw te synchroniseren. De lijnoscillator heeft een relatief lange tijdsconstante, zodat stoorpieken de lijnsynchronisatie niet in de war kunnen sturen.

Het omschakelen van de normen gebeurt met een kleine gelijkstroommotor die verschillende omschakelaars bedient. In een volgend model zal men relais gebruiken. Dit toestel bevat één enkele relais, om de lijnfrekwentie om te schakelen. De rasterfrekwentie blijft identiek bij alle systemen.

Het was toen al de gewoonte dat de zeer hoge spanning voor de beeldbuis opgewerkt werd door een extra wikkeling op de lijnuitgangstransfo.


Philips X24T725/00
Deze multinorm televisie kan ook am geluid detecteren en heeft daarbij een zeer vernuftig ruisonderdrukkingssysteem
Philips X24T725/00
Bij deze schakeling zie je goed dat die afstamt uit de vorige schakeling. De schakeling is echter complexer geworden: de mensen willen een beeld dat meer contrast heeft en stabieler is en het scherm is groter geworden waardoor de uitsturing ook krachtiger moet zijn.

De 110V is verdwenen. Er is nog steeds een connector, maar er moet een extra schakeling bijgeplaatst worden om het toestel op 110V te laten werken. Deze extra schakeling bevat de spanningsverdubbelaar.

Transistoren maken hun intrede in het middenfrekwent audio gedeelte, maar ze worden ook gebruikt voor de opwekking van de rasterpulsen en om de gainspanning te bepalen bij positieve beeldmodulatie.

Alle andere deelschakelingen zijn nog steeds uitgerust met buizen en men kan zich de vraag stellen waarom de ontwerpers niet overgeschakeld zijn naar transistoren, die een lager verbruik hadden. Men ziet dus nog steeds schakelingen die 10 jaar eerder ontwerpen werden en nu nog steeds gebruikt worden.

Daar waar een hoge spanning nodig is, kan ik begrijpen dat er nog steeds buizen gebruikt werden: rastereindtrap, lijneindtrap en video-eindtrap. Maar voor alle andere deelschakelingen waren er toen al geschikte siliciumtransistoren beschikbaar. het was blijkbaar goedkoper om buizen in te zetten dan transistoren.

Een opmerkelijk eigenschap van dit toestel is de reflexschakeling voor het audio FM signaal. Het 5.5MHz FM signaal wordt afgetapt aan de videodetector, maar wordt eerst even versterkt door de twee eindpenthodes van de audio eindtrap (vandaar ook de noodzaak om enkele extra condensatoren te plaatsen in de bi-amp schakeling). Het FM middenfrekwentgedeelte heeft daarom slechts één transistor nodig, terwijl het AM gedeelte 4 transistoren nodig heeft (en één extra transistor voor de AVR, die complexer is bij de franse norm).


Chassis A13
Chassis A13 Philips
Dit chassis zal door verschillend emerken gebruikt worden; SBR, ACEC,... en zal zelfs in Frankrijk verkocht worden (onder een franse naam), waar het toestel meer succesvol was dan de franse toestellen die enkel de franse zenders konden ontvangen.

Het concept van een standaard chassis zal verder gebruikt worden (denk maar aan de zeer bekende kleurchassis K9 en K11). De eigen merken konden een ander type kast gebruiken, draaiknoppen of schuivers gebruiken, een ander aantal preselecties, enz, maar de basis bleef hetzelfde, wat ook de service vergemakkelijkte.

Dit toestel gebruikt een schakelende voeding, maar heeft nog altijd geen scheiding van het net. De 110V mogelijkheid werd volledig afgevoerd, het was ook niet mogelijk een extra module in te bouwen.

Eindelijk een toestel dat volledig met transistoren uitgerust is: zie, het is dan toch gelukt... Er worden verschillende modules gebruikt die uitgerust zijn met IC's.

De audioversterker is niet het sterkste punt van dit toestel in vergelijking met de "Bi-amp" uit de vorige reeks. De versterker werkte in klasse AB met een sterke vervorming bij zwakke passages. Ik heb snel een gescheiden uitgang gemaakt en die naar een externe versterker gestuurd. De rastereindtrap daartegenover heeft een klasse AB instelling en gebruikt stroomtegenkoppeling (aangezien de afbuiging wordt veroorzaakt door een stroom en niet door een spanning).

De regelaars werken met een gelijkspanning (geen gekraak als men de potentiometers verdraait). Let op de terugregeling van het contrast als de straalstroom te hoog oploopt. Omdat de regeling met gelijkspanning werkt, heb ik snel een fotocel geïnstallerd om het contrast te laten meegaan met het omgevingslicht.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's