Kenners weten dat je niet zomaar een oude versterker die lang niet is gebruikt zo maar mag aansluiten op de volle netspanning. |
-
1. VariacDe standaard oplossing om een oude versterker op te starten is gebruik te maken van een variac, die we op een relatief lage spanning instellen, bijvoorbeeld 50V voor een toestel die op 220V werkt.
2. GloeilampDe truc met de gloeilamp (100W) in serie is goed gekend door de techniekers die schakelingen op kortsluitingen moeten testen.Men gebruikt het principe dat de gloiedraad een relatief lage ohmse waarde heeft als de draad koud is. Loopt er een voldoende hoge stroom, dan stijgt de weerstand van de draad. De gloeilamp zal de stroom beperken tot een veilige waarde, maar dit is een noodoplossing want de bekomen hoogspanning is niet stabiel. De hoogspanning kan te hoog zijn en bepaalde onderdelen beschadigen, of te laag zijn en dan kan men niets correct testen. De gloeilamp woirdt hier eerder als automatische zekering gebruikt om de stroom te beperken. De gloeilamp blijft permanent in serie met de versterker. De truc met de gloeilamp wordt meestal gebruikt om schakelende voedingen te testen.
3. Variac en hoogspanningsvoedingToen ik begon met herstellingen had ik enkel een variac en een gloeilamp, maar ik heb snel een kleine hoogspanningsvoeding gemaakt bestaande uit een transfo (115 + 115V 65VA) een diodebrug en een paar elko's. Deze zelfstandige voeding levert de gelijkgerichte hoogspanning om de versterker te testen op een veilige manier. Voor alle versterkers gebruik ik dezelfde procedure:
4. Aparte hoogspanningsvoedingJe kan ook een aparte hoogspanningsvoeding gebruiken. Het is een complexere ingreep, maar je kan daardoor de gloeispanning naar zijn normale waarde brengen zodat de buizen een normale emissie hebben. Een echte hoogspanningsvoeding is niet nodig, als je een voeding hebt die ongeveer 70V kan leveren is dit voldoende. Je kan eventueel een dubbele voeding gebruiken die tweemaal 40V levert.Men koppelt het hoogspanningsgedeelte los van de voedingstransfo. Indien de versterker een gelijkrichterbuis gebruikt volstaat het de buis te verwijderen (controleer wel dat er geen siliciumdiodes geplaatst zijn geweest op de buisvoet). In het geval van een solid state gelijkrichter (metaalgelijkrichter of siliciumdiode) moet de diode losgesoldeerd worden. Opgelet, metaalgelijkrichters hebben de neiging defekt te gaan: ze gaan dan in kortsluiting. Controleer ook of er geen tweede gelijkrichting gebeurt (bijvoorbeeld voor de voortrap of de negatieve roosterspanning). Omdat de spanning hier lager is wordt er meestal een solid state gelijkrichter gebruikt. De versterker krijgt nu netspanning via een gloeilamp om na te gaan dat er geen kortsluitingen zouden zijn (de hoogspanningswikkelingen kunnen in kortsluiting zijn). Men gaat na of alle wisselspanningen aanwezig zijn, rekening houdend met de lagere netspanning.
Ook enkele gelijkgerichte spanningen moeten aanwezig zijn, dit betreft de negatieve polarisatiespanning van de eindtrappen. De spanning wordt geleverd door een metaalgelijkrichter. Het is aangeraden de gelijkrichter en de elko te vervangen, zelfs al lijken ze nog goed, want een defekt in die kring heeft een desastreus gevolg voor de versterker. Niet alle versterkers hebben een polarisatie door middel van ene negatieve spanning, veel versterkers gebruiken een automatische polarisatie door cathodeweerstanden. Men kan de netspanning verhogen tot ongeveer de normale netspanning, zodat de gloeidraden normaal gevoed worden. Nu wordt de aparte voeding ingeschakeld en men laat de spanning stijgen tot ongeveer 50 à 70V. Omdat de netspanning (= gloeispanning) nagenoeg normaal is zou men een normale emissie hebben. Een labovoeding met stroomaanduiding is zeer praktisch: met de verlaagde hoogspanning moet je uitkomen op een stroom van ongeveer 10mA (met een zeer ruime marge).
Hoe de versterker testen?We baseren ons op de procedure 3. of 4., dus:
De spanningsval over iedere anodeweerstand moet ongeveer gelijk zijn aan de spanning over de betreffende buis (cathode en anode). Hier ook een ruime marge nemen. Men moet enkele volts meten over de cathodeweerstanden (minder dan 1V voor de voortrappen en enkele volts voor de eindtrappen. Iedere buis wordt apart getest door zich te baseren op de aansluitingen, deze zijn gemakkelijk te vinden op het internet. De stuurroosters moeten op massapotentiaal zitten (nooit positief ten overstaan van de cathode). De schermroosters en anodes moeten een spanning hebben in de buurt van de voedingspanning. Bepaalde faseomkeertrappen hebben een cathodespanning rond 1/4 of 1/5 van de anodespanning. Men kan gemakkelijk de functie van iedere buis achterhalen door de signaalweg van de ene naar de andere buis te volgen. Men kan de versterker testen door een signaal te geven aan de ingang en de signaalweg volgen met een signal tracer of oscilloscoop. Als men een luidspreker aansluit moet men het signaal door de luidspreker horen. Het signaal kan vervormd zijn als de hoogspanning lager dan normaal is. De versterker moet reeds kunnen werken op een hoogspanning van 70VDC als de gloeispanning correct is. En om af te sluiten: laat je versterker nooit werken zonder aangesloten belasting: door de uitslingeringen kan er overslag gebeuren in de transfowikkelingen (uitgangstransfo) waardoor die doorslaat en defekt gaat. Dit is zeker het geval als de versterker onstabiel is en gaat oscilleren. Sluit een vermogensweerstand van 10Ω op de uitgang. |
Publicités - Reklame