Buizenversterkers
hoogspanning, gloeispanning en eventueel negatieve voorspanning
Voeding

De voeding van een buizenversterker moet de hoogspanning leveren (doorgaans 300V), de gloeispanning (meestal 6.3V) en soms de negatieve voorspanning van de eindbuizen.
-

-

De schakeling rechts is een standaard-voeding, afkomstig van het boek van Menno van der Veen. Zoals alle gepubliceerde schakelingen van Menno van der Veen valt er iets op te merken aan de schakelingen.

Standby schakelaar

S2 is een standby schakelaar. De bedoeling is de buizen op temeratuur te laten komen zonder hoogspanning. Als de verstreker moet gebruikt worden, dan wordt de schakeling van hoogspanning voorzien. Wat kan er mis zijn met deze deelschakeling?

In het algemeen is het niet aangeraden buizen te laten gloeien zonder aangesloten hoogspanning, de cathode kan daardoor fysich veranderen. De meningen zijn daarover verdeeld. De hoogspanning later aanleggen dan de gloeispanning is echter positief, omdat daardoor hoge spanningen op voortrappen vermeden kunnen worden. De versterker gebruikt weerstanden om de spanning te verlagen voor de verschillende buizen, maar als er nog geen electronenstroom op gang is gekomen kan de spanning te hoog worden.

De oplossing is heel eenvoudig: men moet een weerstand van hoge waarde plaatsen over de standbyschakelaar (100kΩ 5W). Daardoor ontstaat er een lichte hoogspanning (maximaal 50V). Dit is optimaal om de condensatoren opnieuw te formeren (ze zullen veel langer meegaan). Een ander voordeel is dat de versterker zeer zwak speelt, het is een soort mute-funktie. Zo weet je dat er audiosignaal op de ingang aanwezig is en je wordt dan niet verrast door luide muziek als de hoogspanning ingeschakeld wordt.

R20 is nuttig om de maximale stroom te beperken. men zal hier een draadgewonden weerstand van 10Ω 5W kiezen.

Gloeispanning

Moet de gloeispanning gelijkgericht worden? Dit is eigenlijk enkel nodig voor de voortrap (omdat het signaal zwak is en brom gemakkelijker opgepikt kan worden) en voor de fase omkeertrap (omdat de cathode hoogohmig is). Als men de wisselspanning gelijkricht, moet men die ook filteren, anders heeft de operatie totaal geen zin. Vroeger werd de gloeispanning nooit gelijkgericht en de versterkers bleken ook normaal te werken.

Gebruikt men een 6.3V transfo, dan bekomt men ongeveer 5.1V gelijkgericht. Na filtering heeft men ongeveer 7V op de uitgang van de filterelko. Voor een gloeistroom van 0.15A voorziet men een weerstand van 5.6Ω om de spanning wat te laten zakken. Overigens mag de gloeispanning wat lager gekozen worden tot 6V. De gloeispanning van de eindtrappen moet niet gelijkgericht worden.

Schakelratel

Om "ringing" (ratel) te vermijden is het aangeraden kleine condensatoren te plaatsen tussen de uitgang van de transfo en de massa. Er zitten harmonische frekwenties op 100, 150, 200,...Hz tot in de radioband. Deze radiofrekwenties propageren zich tot op de roosters van de versterkerbuizen, waarbij het signaal dan gedetecteerd wordt door de diode-werking van het rooster.

Voor de hoogspanning zal men waarden van van 10nF gebruiken en voor de gloeispanning 0.1µF (met gelijkrichting of niet: deze condensatoren vangen de netstoringen ook op die via de gloeidraad voor storing kunnen zorgen). De condensatoren worden geplaatst tussen alle de secundaire aansluitdraden (rood of orange aangegeven) en de massa.

Negatieve voorspanning

Er is zeer weinig stroom nodig voor de negatieve voorspanning van de eindbuizen. Beschikt men niet over een transfo met de nodige wikkelingen, dan kan men de spanning bekomen door de gloeispanning door een spanningsvermenigvuldiger te sturen. Met een enkelvoudige spanningsverdubbelaar bekomt men -16V: dit is juist voldoende voor eindtrappen uitgerust met EL84. Met een drievoudige spanningsverdubbelaar bekomt men -45V en dit is genoeg voor EL34.

De schakeling rechts bevat het 6.3V gedeelte, met een gelijkrichting voor de voorversterkerbuizen (EF86 en ECC83). De gloeispanning voor de drivertrappen (ECC82) moet niet gelijkgericht worden. Dit gedeelte van de schakeling (condensatoren en weerstand) moet herhaald worden voor iedere buis.

  • Aangezien je normaal gezien 2 EF86 nodig hebt, heb je een condensator nodig van 2200µF/16V, twee van 1000µF en twee weerstanden van 5.6Ω.
  • Heb je drie ECC83 nodig, dan heb je een condensator nodig van 6800µF, drie van 2200µF en drie weerstanden van 3.3Ω.

Ik gebruik hier een enkelfasige gelijkrichting met een positieve tak en een negatieve tak zodat ik zowel een positieve spanning van 7V en een negatieve spanning van 7V bekom, daarmee kan in een relais van 12V schakelen (maar daarover meer).

Voor de negatieve roosterspanning van de eindbuizen gebruik ik een tripleur die mij -45V levert. Het verbruik op de negatieve voeding is heel miniem, waardoor een spanningsverdubbelaar op zijn plaats is.

De -45V wordt ook nog gebruikt om de standby relais te laten werken. De standby relais vervangt de standby schakelaar (maar je kan nog steeds een extra schakelaar gebruiken). De relais trekt aan na 30seconden (als de elko van 330µF geladen is), zodat de hoogspanning pas opkomt als de buizen voldoende opgewarmd zijn.

Mocht de negatieve voorspanning uitvallen, dan valt de relais af, waardoor de eindtrappen beschermd worden tegen een te hoge stroom.

De elko's van de voeding, de draadgewonden weerstanden en dergelijke worden niet opgenomen op de signaalprint, maar op een aparte print of gewoon vastgesoldeerd op soldeerstrips zoals in oude radio's. Daardoor verlies ik geen ruimte op de dure signaalprint. Op de signaalprint zelf worden de voedingsdraden lokaal ontkoppeld met een condensator van 100nF.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's