| Enkele versterkers uitgerust met KT77 als eindtrap. De KT77 kan je plaats tussen de KT66 (anodedissipatie van 25W) en de KT88 (35W plaatdissipatie). |
-
De twee eerste schakelingen komen uit een document uit 1979 van MOV (Marconi Osram Valves). er werden toen al volop transistorversterkers gebouwd, maar lampenversterkers werden nog altijd gemaakt. Kits met lampenversterkers hadden toen nog steeds meer succes dan kits met transistoren, ondanks de veel hogere spanning in lampenversterkers. De twee versterkers hebben een tegenkoppeling van 20dB, wat tegenwoordig aangezien wordt als de maximale tegenkoppeling die men in lampenversterkers kan toepassen.
Op deze pagina staat er een herstelde versterker met KT77. Het was een kloon van de Dynaco ST70 met een defekte voedingstransfo.
Versterker met polarisatie door cathodeweerstandDe eerste schakeling is een typische versterker met een vermogen van 25W. De anodespanning wordt ingesteld op 400V in rust. Het is een williamsonversterker met ECC83 als voortrap en cathodyne fasesplitter en ECC83 als drivertrap. De eindtrappen zijn twee KT77 in ultra lineairschakeling. De gelijkrichtdiode is een GZ34.De uitgangstransformator heeft een impedantie van 6.6kΩ tussen anodes en een inductie van 200H. De schakeling kan men gerust nabouwen, de ECC83 als drivertrap kan eventueel vervangen worden door een ECC81 die beter geschikt is bij een anodestroom van 2.8mA. Vervangt men de gelijkrichterbuis door een siliciumdiode, dan moet men ervoor zorgen dat de spanning niet boven de 400V komt. De hoogspanning mag ook pas ingeschakeld worden als de buizen opgewarmd zijn. Er moet een anti flashover diode 1N4148 geplaatst worden tussen rooster en cathode van de fase omkeertrap (anode aan rooster) om te vermijden dat de spanning tussen cathode (aan massa) en rooster (aan de positieve spanning) te hoog zou oplopen. De diode is niet in geleiding als de buis normaal werkt en heeft geen invloed op de geluidskwaliteit. De diode is niet nodig als men de gelijkrichterbuis blijft gebruiken. Versterker met polarisatie door negatieve spanningDe tweede versterker heeft ongeveer dezelfde constructie, maar werkt met een negatieve stuurroosterspanning, waardoor de versterker in classe AB kan werken. Bij de eerste versterker was de anodedissipatie zelfs lager op hoog vermogen (door het verschuiven van het werkpunt).De triodes zijn hier ECC82 in plaats van ECC83 zoals bij de eerste versterker. In beide gevallen had men beter een ECC83 gebruikt voor de eerste trap en een ECC82 of ECC81 voor de driver. De stuurroostervoorspanning wordt ingesteld op ongeveer -48V voor een stroom van 45mA per buis (110mA op maximaal vermogen). De transformator heeft een impedantie van 5.5kΩ tussen anodes en een inductie van 28H. Deze schakeling kan ook nagebouwd worden, maar je hoeft niet noodzakelijk te werken met zo'n hoge spanning als je een vermogen van 60W niet nodig hebt (de buizen zullen veel langer meegaan). Het is bijvoorbeeld goed mogelijk de eerste schakeling te gebruiken, maar de cathodepolarisatie te vervangen door een negatieve spanning, waardoor je een vermogen haalt van ongeveer 35W. Omdat de buis niet meer in classe A moet werken kan je de buis sterker uitsturen. Nieuwere versterker (amazing-vacuum-tubes)De versterker zou 45W moeten leveren. Hij maakt gebruik van negatieve bias, net als het tweede schema. De eindtrap werkt in ultralineaire modus met een aftakking van 40% (zoals bij de EL34).De kathode van elke eindbuis heeft een weerstand van 1Ω voor stroommeting en een zekering van 160mA. De dubbele triodes zijn 6SN7 met een versterking van 20× en een steilheid van 2,6mA/V. Deze buizen hebben dezelfde octal buisvoet als de eindbuizen. Visueel is het erg aantrekkelijk, maar deze buizen hebben een vrij lage versterking: de voorversterker versterkt maximaal 20× en de fase-omkeerder nog minder. De eindtrap vereist een RMS-stuursignaal van 25V. De fase-omkeerder versterkt maximaal 4 keer, de voorversterker 20 keer (totale versterking = 80×). De negatieve terugkoppeling wordt geschat op 10dB, de versterking inclusief negatieve terugkoppeling is zo ongeveer 25×. Er is daarom een ingangssignaal van 1V RMS nodig om het nominale vermogen te bereiken, en dan heeft men geen reserve als het signaal zwakker is. Bij gebruik van dubbele triodes met een relatief lage versterking is de Williamson-configuratie geschikter omdat de lagere versterking gecompenseerd wordt door meer buizen te gebruiken. De 6SL7-buis (ook in octale uitvoering) die in de volgende versterker wordt gebruikt, heeft een hogere versterking (µ = 70) en zou beter geschikt zijn voor deze versterker. SIPP-versterkerEen SIPP-versterker (self-inverting push-pull) gebruikt geen faseverschuivingstrap, maar gebruikt de stroom in één van de buizen om de tweede buis te sturen. Dit circuit werkt het beste met een stroombron als cathodeweerstand. Een LM317 (een bekende spanningsregelaar) kan worden gebruikt, maar het circuit werkt net zo goed met een MOSFET-transistor, die ook stroomregeling mogelijk maakt.Een nadeel van de SIPP-versterker is dat deze absoluut in klasse A moet werken. Er moet altijd stroom door de eerste tetrode lopen; als er geen stroom is, dan verliest deze buis de controle over de versterker. Het maximaal mogelijke vermogen is daarom niet meer dan het dubbele (en waarschijnlijk iets minder) van het vermogen van een single-ended versterker. Dit circuit wordt in detail beschreven op de SIPP-circuitpagina. De gebruikte dubbele triode is een 6SL7, ook een buis met octal buisvoet. |
Publicités - Reklame



