| De buizen KT66, KT77, KT88 (tot KT150) zijn beam tetrodes die specifiek ontworpen zijn geweest voor audiotoepassingen. Ze zijn gebaseerd op de amerikaanse tetrodes 6L6 en anderen om de europese patenten van Philips te omzeilen |
-
|
De oorspronkelijke bedoeling was zoveel mogelijk vermogen te bekomen met niet teveel vervorming. In ieder geval minder dan met versterkers met 6L6 die in bioscoopzalen en feestzalen gebruikt werden. Later werden de buizen ook toegepast in meer geavanceerde ontwerpen die gebruikt werden in opnamestudio en uiteindelijk ook in privé-woningen. Het type KT77 is ontworpen om de tetrodeknik te verminderen door een ultra lineaire schakeling. De anode is niet op een grotere afstand geplaatst en de lampen zijn niet dikker. Kwa vorm is de KT77 ongeveer vergelijkbaar met de europese EL34 (maar een beetje krachtiger). Het is een tetrode terwijl de EL34 een klassieke pentode is. Voor de amateurs geeft de KT77 een ander geluid met sterkere bassen. Alle buizen (6V6, 6L6, EL34, KT66, KT77, KT88,...) hebben een octal voet en compatibele aansluitingen, waardoor ze vervangen kunnen worden, mits de werkingsparameters opnieuw ingesteld worden.
KT66
De eerste schakeling is die van een versterker die 50W kon leveren. Na de tweede wereldoorlog was dit een zeer hoog vermogen. Filterelko's hadden toen een waarde van 16µF (500V) en 8 en 2µF voor de voortrappen. De geluidskwaliteit was verre van optimaal, maar de versterkers werden gebouwd om een zo hoog mogelijk vermogen te leveren. Dergelijke vermogens werden enkel gebruikt voor de sonorisatie van bioscoopzalen en vergaderzalen.
Om aan zo'n hoog vermogen te komen wordt de voedingsspanning verhoogt tot 500V et de rooster voorspanning komt van een negatieve spanningsbron. De spanning van 500V wordt verlaagd door middel van een neonlamp van 130V zodat men 385V heeft voor de rest van de schakeling. De schakeling wordt zo eenvoudig mogelijk gehouden om het aantal componenten te beperken. Een voorversterkertrap met een pentode om een zo hoog mogelijke spanningsversterking te hebben, een cathodyne faseomkeertrap en de twee eindtrappen. Er is geen tegenkoppeling, want door de verminderde versterking zou men een extra buis nodig hebben. In een versterker met tetrodes moet de voeding van de schermroosters een zo laag mogelijke impedantie hebben om vervorming te vermijden, dit gebeurt het liefst met een gestabiliseerde voeding. Het probleem van de zenerdiode (neonlamp) die de spanning doet zakken is dat deze de spanningsvariaties van de hoogspanning niet onderdrukt, in tegendeel: de variaties worden overgebracht naar de schermroosters. Een spanningsvariatie van 50V tussen onbelast en vollast is gewoon bij dergelijke versterkers en komt overeen met 10% van de hoogspanning. Door de zenerdiode wordt de spanningsvariatie echter 13% op de schermroosters. Deze versterker heeft een hoge vervorming.
Als men een versterker bouwt met zulke goede eigenschappen, dan moeten alle trappen van hoge kwaliteit zijn anders lukt het niet om goede cijfers te halen. Als voortrap en stuurtrap hebben we een Williamsonschakeling, waarmee een hoge swing en een zeer goede gelijkloop bereikt kan worden. De schakeling bestaat uit een normale voortrap die direct gekoppeld wordt aan de cathodyne omkeertrap. Door de directe koppeling (zonder condensator) kan de faseverschuiving beperkt worden en kan een condensator van 100 ŕ 500pF over de tegenkoppeling vermeden worden, wat de bandbreedte ten goede komt. De eerste trap lijkt het signaal zeer weinig te versterken (van 1.9V naar 2.7V), maar dat komt door het effekt van de tegenkoppeling. Na de cathodyne faseomkeertrap hebben we een mullardschakeling die de gelijkloop tussen de twee stuursignalen voor de eindtrappen gelijk maakt dankzij de niet ontkoppelde cathodeweerstand. Het is deze trap die de hoogste signaalversterking geeft (10×). We hebben een regeling van de amplitude van de twee stuursignalen, een balansinstelling van de stromen door de eindtrappen en een instelling van de ruststroom (de drie opeenvolgende instellingen op de schakeling). De gemeenschappelijke cathodeweerstand is niet ontkoppeld, wat de eigenschappen van de versterker nog verbetert. Als de versterker de neiging zou hebben om hoogfrekwent te oscilleren als die op hoog vermogen werkt, dan kan dit onderdrukt worden door de bandbreedte van de versterker te beperken door een kleine condensator van 100pF te plaatsen tussen de anode van de eerste trap en de massa. De laagst mogelijke waarde moet gekozen worden, zodat de hoge tonen niet in het gedrang komen. De eindbuizen werken in triode-modus, waardoor het vermogen eerder beperkt is, zelfs met een voedingsspaning van 450V en een stroom van 125mA (warmte-ontwikkeling in beide buizen van 28 + 28W). Met een ultra lineair schakeling haalt men een audiovermogen van 30W met eenzelfde vervorming, maar toen werden er nauwelijks uitgangstransformatoren met ultra-lineaire middenaftakking gemaakt. Dergelijke transformatoren moesten speciaal gewikkeld worden op aanvraag, wat de kostprijs de hoogte injoeg. De aftakking is doorgaans op 40%. De versterker moet voorafgegaan worden door een voorversterker om de amplitude van het signaal tot een niveau van 1.9V te brengen. |
Publicités - Reklame

