Buizenversterkers
Voortrap met triode(s) of pentode
Voortrap

We bespreken hier enkele schakelingen met twee triodes. Deze schakelingen worden gebruikt als men een lagere uitgangsimpedantie wenst.
-

-

De cascodeschakeling is ook een schakeling met twee buizen in één trap. De bedoeling van deze schakeling is de terugwerking van de anode (uitgang) op het rooster (ingang) te reduceren, zonder een pentode te moeten gebruiken.

Cathode follower van White

Als schakeling met een dubbele triode moeten we nog de "white cathode follower" vermelden (White is de uitvinder van de schakeling). Een cathodevolger wordt gebruikt om de impedantie van het signaal te verlagen, bijvoorbeeld om het audiosignaal door een lange leiding te sturen. De cathodevolger vergroot de spanningszwaai niet. Maar een cathodevolger (of de meer moderne versie ervan, de emittervolger) heeft geen constante impedantie.

Nemen we een gewone triode, de bovenste triode in de schakeling rechts, we vergeten even het groene gedeelte. De triode krijgt een wisselspanning op zijn rooster en heeft een cathodeweerstand. Stijgt de spanning, dan loopt er meer stroom door de triode en wordt zijn impedantie ook lager. Daalt de spanning op het rooster, dan gaat de triode minder in geleiding, en stijgt zijn weerstand. In het ergste geval wordt de impedantie enkel nog bepaald door de cathodeweerstand.

Een dergelijke veranderlijke impedantie is in de meeste gevallen ongewenst. Als de belasting een relatief lage impedantie heeft (bijvoorbeeld het rooster van een vermogensbuis) dan kunnen er vervormingen ontstaan. De pieken van het signaal worden goed doorgegeven, maar de dalen zijn afgeplat omdat enkel de cathodeweerstand de spanning naar beneden kan trekken.

Maar de bovenste triode die de cathodevolger vormt heeft een anodeweerstand van relatief lage waarde. De spanning over de anodeweerstand verandert lichtjes naargelang het signaal, en dus ook naargelang de impedantie van de cathodevolger.

Als de spanning over de stuurrooster van de cathodevolger afneemt, dat gaan de triode minder in geleiding. De spanningsval over de anodeweerstand wordt daardoor kleiner, waardoor de anodespanning wat hoger wordt. Deze spanningsverhoging wordt overgebracht aan de onderste buis, die daardoor meer in geleiding gaat, zodat de impedantie van de schakeling constant wordt gehouden.

Het belangrijkste deel van de schakeling is de anodeweerstand die de correcte werking van het geheel moet verzekeren. Zijn waarde moet bepaald worden aan de hand van de eigenschappen van de triodes (en in het bijzonder Gm of steilheid): Ra = 1/Gm. De steilheid van een driver-triode bedraagt 10mA/V of 10mS (millisiemens), de anodeweerstand moet dus 100Ω zijn.

Hoe zijn we aan die waarde gekomen? De vermindering van de stroom door de bovenste triode moet gecompenseerd door een identieke stijging van de stroom door de onderste triode (de stroomsterkte die daalt en stijgt gaat niet verloren maar wordt door de belasting gebruikt). Als de stroom met 1mA in de bovenste buis daalt, dan moet de stroom door de onderste buis met 1mA stijgen.

Om de stroom door de onderste triode te doen stijgen, moet de roosterspanning stijgen. Met hoeveel volt? Men gebruikt hier de steilheid van de buis, dat is een caracteristieke waarde van een buis. Bij een stijging van 1V ontstaat er bijvoorbeeld een stijging van de stroom van 10mA. We hebben een stijging van 1mA nodig, dus een stijging van de spanning van 100mV.

De spanningsstijging van 100mV moet op de anodeweerstand opgewekt worden. Als de anodestroom met 1mA daalt, dan moeten we een vermindering van de spanning over de weerstand hebben van 100mV. Volgens de wet van Ohm is R = U/I, dus R = 100mV/1mA of 100Ω, ced.

Eén van de eigenschappen van deze "push pull" versterkers (zowel de cathodevolger van White als de SRPP), is dat die verplicht in classe A moeten werken. De stroom door een buis mag nooit nul worden, anders verliest de buis de controle over de andere buis. Het rendement kan dus nooit hoger worden dan 50% en het beschikbaar vermogen is hoogstens gelijk aan de dissipatie in één van de buizen.



Het berekenen van de anodeweerstand bij de cathodevolger van White wordt in detail uitgelegd links. De berekeningen werden uitgevoerd met zowel een lage als een hoge belastingsweerstand, en zelfs de extreme waarden werden getest (oneindige belastingsweerstand en belastingsweerstand van 0Ω).

Indien men een anodeweerstand met een lage waarde gebruikt, dan verschuift de werking van de schakeling naar een gewone cathodevolger, dus een schakeling met een asymmetrische uitgangsimpedantie. Gebruikt men een anodeweerstand met een hogere waarde, dan bekomt men een spanningsversterking op de bovenste triode. De onderste triode ontvangt dus niet meer een gelijkaardig signaal op zijn rooster, maar een sterker signaal, waardoor de schakeling ook niet meer symmetrisch gaat werken.

Onafhankelijk van de belasting, is de meest optimale werkpunt, die waarbij de anodeweerstand Ra = 1/Gm (omgekeerde van de steilheid).

Omdat de triode in gemeenschappelijke cathodeschakeling een versterking heeft lager dan 1, kan men de anodeweerstand wat verhogen: Ra' = Ra * Ui/Uo. De uitleg is enkel relevant als beide triodes identiek zijn.

De ruststroom door de eindtrappen wordt ingesteld door de cathodeweerstand van de onderste eindtrap.

Series Regulated Push Pull

Er bestaat nog één standaardschakeling, dat is de SRPP. Deze wordt meestal niet als voortrap gebruikt en zal meer in detail besproken worden op de pagina voor eindtrappen (eindtrappen zonder uitgangstransfo). De indexpagina SRPP schakelingen staat hier.

Een voorbeeldschakeling van een SRPP als voortrap staat op de pagina van de SIPP schakeling.

Beide schakelingen, de cathodevolger van White en de SRPP worden gebruikt om een lagere uitgangsweerstand te bekomen. De SRPP schakeling wordt vaker gebruikt omdat die de spanning versterkt.

Tegenwoordig worden ze gebruikt als kopteleffonversterker want dankzij de lagere uitgangsimpedantie kunnen ze een koptelefoon aansturen zonder aanpassingstransfo. Met een ECC99 (dubbele triode) kan men werken met een ruststroom van 10 à 18mA, wat voldoende is om een koptelefoon aan te sturen. Men heeft één buis (twee triodes) nodig per kanaal, plus de nodige voorversterking (ECC83). Het beschikbaar vermogen is laag, meestal minder dan 100mW, maar dit is ruim voldoende om koptelefoons aan te sturen. Een paar praktische realisaties staan hier uitgelegd.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's

-