Buizenversterkers
De eindtrap
PL504

Buizenversterkers kunnen op een lagere spanning werken (als de gloeispanning wel constant blijft). Transistorversterkers kunnen niet werken als de spanning te laag wordt.
-

-

Eindtrap op laagspanning

Deze schakeling is gebaseerd op de hifischakeling van de vorige pagina.

De PL504 geeft reeds een voldoende vermogen om een luidspreker aan te sturen bij een lage spanning van minder dan 100V (wat het geheel minder gevaarlijk maakt). We gebruiken hier de normale penthodeschakeling die een wat hoger vermogen kan leveren, zelfs bij een lagere spanning.

De gloeispanning bedraagt normaal 27V, maar de buis die een voldoende vermogensreserve heeft kan probleemloos gevoed worden uit 24V. We hebben hier 4 buizen nodig, men kan dus twee kleine transfo's gebruiken (tweemaal 2 × 24V, 20VA) die een totale spanning leveren van 96V. Gelijkgericht en gefilterd hebben we 120V, wat eigenlijk reeds voldoende is voor onze eindtrap. Gebruiken we 2 transfo's van 24V, dan hebben we een spanningsverdubbelaar nodig om aan de nodige spanning te komen. Omdat de transfos voor de gloeispanning nu ook de hoogspanning leveren, moet het vermogen van de transfo's met 35% opgevoerd worden, dus twee transfo's van 30VA.

Het ontwerp rechts is met twee transfo's van EREA E32TR40 met meervoudige wikkelingen. De rode aansluiting dient als gloeispanning voor de eindtrappen, met voor ieder buis een weerstand van 3.3Ω om de spanning van 28V te verlagen naar 27V. De ECC82 en ECC83 kunnen zowel gevoed worden op 6.3V als op 12.6V, wij voeden ze op 12.V (aansluiten tussen pen 4 en 5). De waarde van de elko's voor de hoogspanning mag zo hoog gekozen worden als je maar wenst (470 1000µF). Voor de negatieve voorspanning volstaan elko's van 100µF. De diodes zijn de bekende 1N4007.

Bereikt de negatieve voorspanning geen -45V, dan kan de pomp-elko hoger aangesloten worden (op Tr2).

Om de beschikbare spanning zo optimaal te benutten, gebruiken we hier ook geen cathodeweerstand voor de eindtrappen, maar leggen we die direct aan de massa (via een weerstand van 1Ω die we kunnen gebruiken om de stromen in beide buizen te egaliseren).

Om de spanningsverliezen te beperken worden de stuurtrappen (driver) gevoed via een weerstand van 100Ω aan de hoogspanning en een filterelko van 220µF. De voortrappen worden gevoed via een weerstand van 1kΩ en eveneens een elko van 220µF.

Bij het ontwerp van de schakeling moet men rekening houden met het feit dat de stuurroosterspanning positief kan worden om de buis optimaal uit te sturen. De voedingsspanning is nu zodanig laag dat we de anodestroom hoger kunnen kiezen zonder de maximale dissipatie van de buis te overschrijden. Bij een voedingsspanning van 300V hebben we de stroom ingesteld op 30-35mA, hier stellen we de stroom in op 100mA (bij 120V) of 65mA (175V). Als schema kan men gebruik maken van de schakeling hierboven, maar met aangepaste weerstandswaarden.

Aanpassing van de weerstanden naargelang de voedingsspanning
Spanning300V175V120V
R1 (voeding)5.6kΩ150Ω100Ω
R2 (voeding)5.6kΩ1.5kΩ1kΩ
-
R13100kΩ68kΩ47kΩ
R17 + R1947kΩ47kΩ33kΩ
R20 + R23100kΩ68kΩ47kΩ
R261kΩ680Ω470Ω
R32 + R33220Ω150Ω100Ω
R3422kΩ470Ω47Ω
-
Vermogen100W40W18W
Voor R1 en R2
(weerstanden van het voedingsgedeelte):
zie vorige pagina.

De voortrappen moeten gevoed worden op een zo hoog mogelijke spanning zodat de eindtrappen een voldoende stuurspanning kunnen krijgen. Op een Laatste pagina plaatsen we extra informatie, waaronder de bepaling van het maximaal vermogen. Deze informatie is zeer nuttig als je zelf een eigen versterker zou bouwen.

Welke voedingsspanning gebruiken?

De werkingslimieten van de PL504 worden hoofdzakelijk bepaald door de maximale dissipatie van de buis: de buis kan zowel een hoge stroom leveren of op een zeer hoge spanning werken, maar niet beide terzelfdertijd. Men kan de buis dus op een relatief lage spanning laten werken (160V) met een stroom van 65mA of een hoge spanning van 300V met een stroom van 30mA. Maar welke spanning moeten we kiezen?

Het is gemakkelijker een voedingstransfo te vinden dan een outputtransformator. Voor de voedingsspanning moet men zich dus baseren op de outputtransformator die men beschikt. Indien men beschikt over een transformator die bedoelt is voor een paar EL34, dan zal men een hoge spanning en een lage stroom gebruiken (hogere impedantie van de buis). Indien men met een lagere voedingsspanning wenst te werken, dan moet men een transformator gebruiken met een lagere wikkelverhouding (bijvoorbeeld een transformator die voorzien voor 100V distributielijnen als die een middenaftakking heeft). Overigens is een exacte aanpassing niet nodig, bij een misaanpassing is het maximaal vermogen wat lager.

Op de volgende pagina hebben we een versterker die een transformator voor 100V lijnen gebruikt.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's