|
-
Amerikaanse ontvangers in het interbellum: pentagrid converterHet principe van de superheterodyne wordt simultaan toegepast in Europa en in de Verenigde Staten, maar de buizen die in beide continenten gebruikt worden zijn verschillend. In Europa geeft men de voorkeur aan de octode met zijn 8 electrodes, maar in de Verenigde Staten werkt men liever met een hexode of een heptode ("pentagrid converter").Ten overstaan van de heptode heeft de hexode geen keerrooster, maar in deze toepassing is een keerrooster minder belangrijk omdat de buizen in amerikaanse radiotoestellen zonder transformator gebruikt worden, waarbij de hoogspanning ongeveer 110V bedraagt. Eerste principeschakeling links, amerikaans systeem: de trilkring is geplaatst tussen de cathode en het eerste rooster in een gemeenschappelijke anodeschakeling, de versterking ontstaat dankzij het tweede rooster dat op een vaste positieve spanning gehouden wordt en als anode voor de trillingskring dient. De buis is wat eenvoudiger dan de europese octode. In Amerika proberen de fabrikanten hun radio's zo goedkoop mogelijk te maken, en een buis met een rooster minder is natuurlijk goedkoper. Bij alle praktische schakelingen worden de volgende kleuren gebruikt:
De praktische schakeling komt van een radio Schaub Koralle uit de jaren 1950. De radio gebruikt een typisch amerikaans schema uit de jaren 1930, daarom dat de schakeling hier opgenomen wordt. De zelfoscillerende mengtrap is een EK90 / 6BE6.
De schakeling is zodanig ontworpen dat een sterke "oscillator pulling" ontstaat, de frekwentie van de oscillator verloopt lichtjes zodat een perfecte afstemming niet nodig is (auto tune). Dit is een gewenste feature voor deze ontvangers die bedoeld zijn om enkel de sterke lokale zenders te kunnen ontvangen. In de Verenigde Staten zal men de pentagrid converter altijd blijven gebruiken wegens dit eigenschap, daar zijn er enkele sterke zenders en is een goede selectiviteit niet nodig in tegenstelling met Europa met zijn talrijke zenders. Na de economische crisis in Amerika is het de bedoeling de ontvanger zo goedkoop te bouwen met slechts 5 buizen ("All American Five"): een versterker-mengtrap (heptode), een middenfrekwent versterker (pentode), een diode-triode voor de detectie, een eindpentode en een gelijkrichterbuis. Er is geen transformator voorzien en het chassis staat op netspanning. De radioetoestellen die in het interbellum gebruikt werden worden hier besproken.
Europese ontvangers in het interbellum: octodeIn Europa gebruikt men een octode een buis waarvan de werking lijkt op die van een triode-heptode. De constructie en werking van de suis staat uitgelegd op de pagina van de octode.
De oscillatrorkring wordt gevormd door het eerste stuurrooster en het tweede stuurrooster (dat als anode werkt).
Batterijgevoede toestellen: heptodeDe principeschakeling is die van een batterijgevoede radio. Om het verbruik te drukken worden buizen met een direct verhitte cathode gebruikt. Daardoor vervalt echter de mogelijkheid om de cathode als stuurelectrode te gebruiken zoals met een mengtrap met heptode.Men gebruikt in de plaats de eerste en tweede electrode als locale oscillator. Het tweede rooster heeft de vorm van een kleine anode om de oscillaties te onderhouden en de rest van de electronen gaat naar de mengtrap. De praktische schakeling rechts is een voorbeeldschakeling voor een batterijgevoede radio-ontvanger. Wegens het ontbreken van een schermrooster kan het oscillatorsignaal in de antennekring terechtkomen. De vorige schakelingen hadden dit nadeel niet dankzij een schermrooster tussen oscillatorgedeelte en menggedeelte. Na de tweede wereldoorlog is men heptodes blijven gebruiken in batterijgevoede toestellen waarbij het verbruik zo laag mogelijk moet zijn, en bij een heptode heeft men een buis met slechts één gloeidraad nodig (DK96). In de zeldzame draagbare radio's met FM ontvangst moet men een triode (DC90) of een pentode die als triode geschakeld is (DF97) gebruiken in een zelfoscillerende mengtrap. Een dergelijke zelfoscillerende mengtrap zal ook gebruikt worden in transistorontvangers. Dergelijke buizen werken op een spanning van maximaal 90V en hebben een gloeispanning nodig van 1.3V bij 25mA. Om aan zo'n laag verbruik te geraken moeten de buizen direct verhit worden (de gloeidraad dient als cathode). De maximale stroom die zo'n buis kan leveren is ook beperkt: de eindpentode (DL96) heeft een maximale anodestroom van 5mA en kan een audiovermogen leveren van 100mW. Dit is deel II van de mixers: de mengschakelingen na de tweede wereldoorlog |
Publicités - Reklame