Perspecta Sound
bijna stereo
Bioscoop

Na de tweede wereldoorlog begon men te experimenteren met stereo, maar de eerste resultaten waren niet denderend. Men wist niet goed hoe men de microfonen moest plaatsen zodat het geluid ook goed klonk in mono. Maar met de komst van breedbeeld was "breed" geluid noodzakelijk.
-

-

Er werden verschillende nep-stereo systemen gebruikt voor de komst van echte stereo-programma's. Een mogelijkheid was de lage tonen naar één luidstreker te sturen en de hoge tonen naar een andere luidspreker, maar dit was echt nep.

Een systeem dat een beetje beter was is Perspecta sound. Hier hebben we bijna stereo. Het systeem werd in cinemazalen gebruikt in de jaren 1950. De filmprojectoren waren uitgerust met een optische leeskop. Stereo was niet mogelijk met dit systeem en de bandbreedte was beperkt tot 10kHz. Het optisch systeem was echter goedkoper dan het magnetisch systeem dat een extra magnetische laag nodig had. Bij het optisch systeem werd de audio spoor gewoon samen gecopieerd met de beelden.

De bioscoopzalen waren ook niet erg happig om over te schakelen op een projector met magnetisch geluid. Om een projector om te bouwen volstaat het niet een magnetische opnemer bij te plaatsen, maar is er ook een voorversterker nodig: het optich signaal heeft een amplitude van 500mV, het signaal dat van de magnetische kop komt heeft een amplitude van 3mV in het beste geval.

Maar met de komst van breedbeeld in de bioscoop (om de concurrentie te kunnen aangaan met de televisie), moest er wel een vorm van "breedbeeld geluid" komen.

De produktiehuizen hadden al heelwat geld gestoken in verbeterde kleurweergave en brede schermen, en bioscoopzalen hadden zich aangepast aan het nieuwe formaat, maar hadden niet veel zin om nog meer geld in het systeem te pompen. Men zat ook aan het begin van de stereo, de geluidstechnici wisten niet goed waar ze de microfonen moesten plaatsen om een goed geluidssignaal te bekomen dat ook nog goed zou klinken in mono (wat er kan mislopen bij stereo dat in mono weergegeven wordt lees je op de pagina FM multiplex).

Ten gevolge van de beperkte bandbreedte was het niet mogelijk een piloottoon te gebruiken zoals bij FM. De pilootton zou de beschikbare bandbreedte nog verder beperkt hebben en de signaal-ruis verhouding (die al niet goed was) nog verslechterd hebben.

We hebben dus één enkel geluidsspoor die meer naar links of meer naar rechts gestuurd wordt. Er zijn drie versterkers, één voor links, één voor het midden en één voor rechts. Het systeem gebruikt drie laagfrekwente controlesignalen die de versterking regelen.

Een bijkomend voordeel is dat men de dynamiek artificieel kan verhogen. Als er een explosie is, dan wordt de versterking op maximaal gezet, terwijl bij de zwakke stukken de versterking terug gedraaid wordt. Zo kan men ook de signaal-ruisverhouding kunstmatig vergroten.

Het geluid is natuurlijk geen stereo, het is niet mogelijk een stereobeeld te hebben van een orkest. Men kan enkel het volledig geluid meer naar links of meer naar rechts richten. Tegenwoordig lijkt dit idioot, maar in de jaren 1950 vonden de mensen dat fantastisch: als er iemand links aan het spreken was, dan kwam het geluid ook van links!

Je moet niet vergeten dat er toen nog geen stereo was, en Perspecta was het enige dat de mensen konden meemaken. Fonoplaten waren nog altijd mono (men had de "truc" nog niet gevonden om twee geluidssporen op te nemen op één audiospoor).

Uitleg over het schema:

  • Groen: audiosignaal
  • Rood: positieve voedingsspanning
  • Zwart: massa
  • Blauw: negative polarisatiespanning
  • Lichtgroen: stuursignaal voor de versterkers (wisselspanning)
  • Paars: gelijkgerichte stuursignalen
De 6BE6 wordt normaal gebruikt als oscillator en mixertrap in amerikaanse radios (pentagrid converter).

Een gelijkaardige europese buis is de EK90, maar die werd bij ons nauwelijks gebruikt, wij gebruikten liever de ECH81 (triode-heptode) met een aparte oscillator en waarbij het antennesignaal aan het eerste rooster aangeboden wordt waardoor een beter rendement bekomen wordt.

Het is enkel in draagbare lampenradio's dat men een tijdje enkelvoudige heptdes (DK96) heeft gebruikt omdat die minder stroom trokken.

De EQ80 heeft nog een rooster meer, het is een nonode. Ik denk niet dat er buizen gemaakt zijn geweest met nog meer electroden.

Het signaal van de projector loopt door een scheidingstransfo om massaproblemen en brom te vermijden. Het signaal wordt dan versterkt en gescheiden in een laagfrekwente stuursignaal (subsonisch) en een hoogfrekwentere gedeelte (audiosignaal).

Het hoogfrekwente gedeelte (70 - 10.000Hz) wordt gefilterd om de stuursignalen te verwijderen en dan versterkt. Het uitgangssignaal is een bifasige signaal dat twee buizen in push-pull configuratie aanstuurt. De buizen die in de push-pull configuratie gebruikt worden zijn geen gewone penthodes, maar heptodes ("pentagrid converter" in de amerikaanse literatuur), dit zijn buizen met 7 electrodes. Het audiosignaal wordt aan de tweede suurrooster aangeboden. De eerste stuurrooster krijgt het controlesignaal (volumeregeling).

De versterking van de buis is minder als de sturing aan de tweede stuurrooster aangeboden wordt: het stuursignaal moet dus sterker zijn. Men gebruikt een push-pull montage om harmonische vervormingen te onderdrukken, deze ontstaan omdat het werkpunt van de buis verschoven wordt.

Het signaal moet dan nog versterkt worden door drie losse mono versterkers. Een vermogen van driemaal 60W werd als voldoende beschouwd voor een normale cinemazaal.

Het stuursignaal wordt gefilterd om alle audiocomponenten te verwijderen. Dan wordt het signaal versterkt en gaat via drie afgestemde kringen: stuursignaal links (30Hz), stuursignaal midden (35Hz) en stuursignaal rechts (40Hz). Ieder stuursignaal wordt gescheiden versterkt en loopt via een tweede filter.

Het uitgangssignaal van de filter wordt dubbelzijdig gelijkgericht. Men heeft immers een gelijkspanning nodig om de versterking te sturen. Een relais kan de schakeling automatisch in en uit werking zetten als er Perspecta stuursignalen aanwezig zijn of niet. Bij een normale film (zonder Perspecta stuursignalen) worden de kanalen links en rechts geblokkeerd door een negatieve voorspanning van -20V op de eerste rooster van de eindbuizen. Het centrumkanaal krijgt een ingestelde spanning, zodat de amplitude van het signaal overeen komt met of zonder Perspecta.

Het stuursignaal wordt aan het eerste rooster van de twee push pull buizen aangeboden en regelt zo de versterking van de buizen. Met een voorspanning van -20V worden de buizen afgeknepen en komt er geen geluid meer door.

De drie kanalen krijgen precies hetzelfde audiosignaal op de derde rooster: de luidsprekers geven dus hetzelfde weer, enkel de amplitude tussen L, C en R is instelbaar.

De stuursignalen, als die aanwezig zijn, bedienen een relais die het toestel automatisch in Perspecta-modus doet omschakelen. Als er geen stuursignalen aanwezig zijn gedurende 10 seconde, dan schakelt het toestel terug naar de normale werkingsmodus. De werking is dus volledig automatisch en voor de operateur is er geen verschil tussen een gewone bioscoopfilm en een bioscoopfilm die Perspecta-geluid heeft.

Perspecta Stereophonic Sound zal een 10-tal jaren in gebruik blijven, tot de studios de nodige ervaring hebben opgedaan in het werken met echt stereo geluid.

Links to relevant pages - Liens vers d'autres pages au contenu similaire - Links naar gelijkaardige pagina's