Omroepmuseum
Omroepmuseum VRT in Leuven
VRT

-

-

De belgische omroep in het interbellum

Het omroepmuseum is gelegen in het centrum van Leuven, op 100 meter van de grote markt. Het is er gezellig, veel volk, verschillende talen en culturen, maar de historische stad is niet gebouwd voor de auto's. Je komt beter met de trein, dat zal waarschijnlijk goedkoper zijn dan de wagen ergens in een parkeertoren achter te laten. Met je dikke slee of je SUV moet je het niet wagen. Je zit vast nog voor je het eerste verdiep bereikt. Wil je je auto terugkrijgen, dan moet die in stukken gezaagd worden.

Voordat er radio-uitzendigen waren, werd er al gewerkt met morse signalen. Al heel vroeg ontstond er de vraag om met onze eigen kolonie te communiceren. Je leest er meer over op de pagina over de Radio Maritieme Diensten van het Belgisch leger.

Het is dus niet zo dat de radio uit het niets ontstaan is: er waren al radio-amateurs die toestellen gebouwd hadden voor het ontvangen van morse signalen, maar het ontvangen van spraak was toch een heel aparte belevenis.



Een eenvoudige ontvanger bestaat uit een zeer lange antenne, een goede aarding, een afgestemde kring, een diode en een gevoelige koptelefoon. Dat is voldoende om krachtige zenders op de middengolf te ontvangen. Maar door de demping van de koptelefoon is de ontvanger niet echt selectief en ontvangt meerdere zenders zwak door elkaar.



De oplossing is een versterkerbuis te gebruiken, toen nog een triode. De triode versterkt het antennesignaal maar koppelt ook een klein deel van het signaal terug naar de antennespoel. Door de meekoppeling wordt de ontvanger gevoeliger en meer selectief. De mate van meekoppeling kon ingesteld worden door de tweede spoel dichter of verder van de antennespoel te plaatsen. Was de meekoppeling te sterk, dan begon de ontvanger te oscilleren. Het detecteren van het audiosignaal gebeurt nog steeds met een kristaldiode.

Bij deze eerste triodes uit het interbellum waren de elementen nog horizontaal opgesteld. Het waren buizen met direct verhitte cathodes (de gloeidraad zelf is de cathode). De gloeidraad gaf bijna evenveel licht als een gloeilamp, want de gloeidraad moest op een hoge temperatuur gebracht worden. Barium oxide cathodes bestonden er toen nog niet.

Het rooster is een spiraaltje rond de gloeidraad en de anode is een allesomvattende cylinder. Deze eerste buizen hadden een zeer lage versterking. Ze waren ook niet volledig luchtledig gemaakt: door een heel klein beetje lucht in het ballon te laten kon men de versterking opvoeren. Reeds voor de oorlog had men opgemerkt dat buizen met een harde vacuum betrouwbaarder waren, maar men had de getter nog niet uitgevonden. Deze buizen hebben dan ook geen zilveren laag die ontstaat als de getter gesublimeerd wordt bij het leegtrekken.



Het is wel leuk om uit te zenden, maar het zou nog beter zijn als we ook zouden kunnen opnemen om later uit te zenden. De engelsen hadden de Blattnerphone, een duur gedrocht dat niet echt draagbaar was, aangedreven door drie motoren, nauwelijks degelijker dan de draadrecorder. Er is extra informatie op de pagina. De engelsen konden de primitieve bandopnemer goed gebruiken want dezelfde programma's werden na elkaar uitgezonden op verschillende frekwenties zodat ze overal ter wereld ontvangen konden worden.



Om op te nemen hebben we echter ook de platenrecorder. Als opnamemedium gebruikte men was voor onbelangrijke opnames die slechts enkele keren afgespeeld moesten worden. Maar het was goedkoper: door de was te smelten en glad te strijken had men weer een blanko plaat. Voor opnames die bewaard moesten worden werd er opgenomen op een aluminiumplaat bedekt met celluloselak. Door de temperatuurverschillen en het uitdrogen van de lak konden er kleine craquelures in de laklaag ontstaan, waardoor de plaat niet meer afgespeeld kon worden, tenzij restauratie —bedankt Omroepmuseum voor deze verbetering!



Commerciële geperste gramofoonplaten (78 toeren) gebruikten schellak, een haars die afgescheiden wordt door bepaalde luizen. Schellak is thermoplastisch en kan gemakkelijk geperst worden. In koude toestand is de plaat redelijk slijtvast. Tot na de tweede wereldoorlog gebruikte men uitsluitend 78 toerenplaten (en 16 toerenplaten voor spraakopnames).



Bij het opnemen is een stofzuiger nodig om de losgekomen partikels op te vangen (die komen anders te liggen op het blanko gedeelte van de plaat). De trechter staat juist boven de beitel. In het begin werd er zowel opgenomen van buiten naar binnen (studio apparatuur) als van binnen naar buiten (apparaten die op verplaatsing gebruikt werden).

CD's worden opgenomen van binnen naar buiten (zodat de startpositie identiek is voor alle plaatjes) met een variabele rotatiesnelheid (constante lineaire snelheid). Harde schijven worden van buiten naar binnen gevuld, zodat de belangrijke bestanden (directories en systeembestanden) aan de buitenkant staan, waar ze sneller gelezen worden (constante hoeksnelheid en variabel aantal blokken, met meer blokken aan de buitenkant). Maar hier beginnen we af te dwalen...



Zelfs na de tweede wereldoorlog wordt er nog volop op plaat opgenomen. De NIR (de voorloper van de VRT) had immers voldoende toestellen die ondertussen aangepast werden om ook op 33 toeten op te nemen. Dit is "la cérémonie d'abdication de SM Léopold III" (16 juli 1951) die trouwens in het museum te beluisteren is.



Maar de techniek staat niet stil en er wordt meer en meer op band opgenomen. Gemakkelijker, betere kwaliteit, wat moet een radiotechnikus meer hebben? Telefunken had nog vòòr de oorlog onderzoek gedaan en bandopnemers ontworpen die zo goed waren dat de gealliëerden tijdens de oorlog niet konden weten of het een rechtrekse of een uitgestelde uitzending was. De betere kwaliteit was grotendeels te danken aan het wissen met wisselspanning en het gebruik van de AC bias bij de opname.



Het iconische Flagey gebouw wordt in gebruik genomen in 1938, het is één van de eerste omroepgebouwen (na Londen en Berlijn). Zelfs de babbelzieke en arrogante fransen hadden geen omroepgebouw. Het gebouw is ondertussen geclasseerd en wordt nog steeds gebruikt, maar niet uitsluitend meer door de VRT/RTBF.



"Studio 38" is een reconstructie van een opnamestudio juist voor de tweede wereldoorlog. En wat hebben we in de studio? Een mengtafel met telefoonaansluitingen zodat reporters konden inbellen en hun bericht direct op antenne brengen.



Deze installatie staat niet in de studio, maar op het verdiep waar de toestellen gegestaureerd worden. In de mengtafel zitten er geen versterkers, deze zitten in een aparte kast. De kast is modulair, met drie losse versterkers die gemakkelijk uitgebouwd kunnen worden voor onderhoud. Een van de microfoonversterkers staat in het midden van het beeld. De voorversterkerbuizen zitten normaal in een koperen koker om storingen buiten te houden.

Links in beeld een beluisteringsmeubel die bij de producers geplaatst werd. Met een kiesschijf kon er geschakeld worden naar de verschillende studio's. De versterker leverede een vermogen van niet minder dan zeven watt!



Een dynamische microfoon en een bandmicrofoon. Beide microfoons werken op hetzelfde principe: een spoel wordt aangedreven door de geluidsgolven en beweegt in een magnetisch veld, waardoor er een kleine spanning opgewekt wordt (enkele millivolts). Bij de bandmicrofoon zit de spoel op een in accordeon gevouwen folie. De bandmicrofoon heeft zeer gunstige eigenschappen en er bestaan ook enkele tweeters die volgens dit principe gebouwd zijn geweest. Ze geven een zeer aangename en goed gedefinieerde klank.



De oorlog is nog niet gedaan, maar er wordt al volop onderzocht hoe het medialandschap er na de oorlog er uit zou moeten zien. En français naturellement, de vlaming wordt aangezien als collaborateur. Dezelfde bezigheid ziet men trouwens ook met de korte golf uitzendingen naar onze kolonie (zie pagina over de Radio Maritieme Diensten van het belgisch leger).

Het gedeelte na de oorlog wordt op een nieuwe pagina besproken.

Publicités - Reklame

-